Laatste nieuws

Fiscaal

Het komt vaak voor: kinderen die geld lenen van hun ouders, om op die manier een huis te kunnen kopen. Het bijzondere aan deze financiering zijn de fiscale gevolgen. Voor de kinderen is de betaalde rente aftrekbaar als eigen woningrente, bij de ouders blijft de feitelijk ontvangen rente onbelast. Zij hebben immers enkel te maken met de forfaitaire heffing in box 3. Een hoge rente kan dan fiscaal voordelig uitpakken, zeker als de betaalde rente door de ouders weer (belastingvrij) aan de kinderen wordt terug geschonken. De Rechtbank Den Haag heeft onlangs beslist dat de hoogte van de (aftrekbare) rente in dit soort gevallen aan grenzen gebonden is. Partijen waren daar een rente van maar liefst 9% overeengekomen en dat vond de rechter toch echt te grijs. Een rente van 3% werd in het berechte geval zakelijk en dus toelaatbaar geacht, en daar mocht nog een toeslag van anderhalf procentpunt op gezet worden, omdat de lening zonder hypothecaire zekerheid was verstrekt.

Ook in de verhouding tussen ouders en kinderen moet dus van een zakelijk rentepercentage worden uitgegaan, waar dan nog een toeslag op gezet kan worden wegens bijzondere omstandigheden. Denk aan een in verhouding tot de waarde van het huis hoge lening of – zoals in het berechte geval – het ontbreken van hypothecaire zekerheid.

Ook de Belastingdienst is aan termijnen gebonden. Bijvoorbeeld om een beslissing te nemen op een ingediend bezwaar. Worden die termijnen niet gehaald dan kan de fiscus een dwangsom of een schadevergoeding verschuldigd zijn. De verleiding kan dan groot zijn om, als de inspecteur ziet aankomen de termijn niet te gaan halen, een beslissing ‘voor de vorm’ te nemen. Op die manier worden termijnen veilig gesteld en is er geen vergoeding verschuldigd. Die handelswijze kan volgens de rechter niet door de beugel. Er is in zo’n geval sprake van ‘détournement de pouvoir’; het gebruik van een bevoegdheid voor een doel waar die niet voor bedoeld is.

De rechtbank zette een streep door de pro forma beslissing, droeg de fiscus op een nieuwe beslissing te nemen en besliste verder dat de fiscus een dwangsom had verbeurd. Die bedroeg overigens € 100. Aan proceskosten moest de fiscus belanghebbende nog eens € 1.002 vergoeden. Penny wise, pound foolish noemen we dat …

Het fiscale eenheidsregime in de vennootschapsbelasting bevat volgens het Europese Hof van Justitie discriminatoire elementen. En die zijn nu eenmaal niet toegestaan. In Den Haag zag men tijdens de procedure de bui al hangen, reden om de reparatiewetgeving voor te bereiden. Die zou in werking moeten treden als de beslissing van het Hof voor de fiscus negatief zou uitpakken, wat uiteindelijk ook het geval was. De beslissing van het Europese Hof moet gezien worden als een aanwijzing voor de nationale rechter die de zaak behandelt. Met andere woorden: er moet nog een eindbeslissing genomen worden, in dit geval door de Hoge Raad. Die beslissing is nu genomen, waarbij de Hoge Raad het Hof uiteraard gevolgd heeft. De reparatiewetgeving was dus terecht!

Het reparatievoorstel zou aanvankelijk met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 in werking treden. In een latere fase is echter beslist dat het wetsvoorstel enkel zal terugwerken tot 1 januari 2018.

Nogal wat belastingplichtigen hebben in het recente verleden hun spaarcentjes gestoken in teakhoutplantages. Dat liep maar zelden goed af; veel van dit soort avonturen eindigen met een faillissement van de plantage en/of de aanbieder van dit soort beleggingsproducten. Maar wat is nu de waarde van dit soort participaties tijdens de rit? Over deze vraag werd door de Belastingdienst met een belangenvereniging een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij van een (pessimistische) prognose van een bosbouwkundig taxatiebureau werd uitgegaan. Een belegger wilde daar echter niet mee akkoord gaan, en waardeerde zijn participatie meteen al op nihil. Begrijpelijk, want het einde van de belegging was (achteraf) bekend. Toch wilde de fiscus – en ook de rechter – hier niet in meegegaan. De waarde over het betreffende belastingjaar was bepalend en niet de waarde aan het einde van de rit. Niet gezegd kon worden – aldus de rechter – dat de participaties over het betreffende jaar geen enkele waarde in het economisch verkeer meer hadden. Dat die participaties (feitelijk) niet mee verhandelbaar waren (niemand stapte er meer in, en terecht!) deed daar niet aan af.

De beslissing is niet enkel voor teakhoutplantages van belang. Ook andere beleggingen die waardeloos aflopen kunnen tijdens de rit - voor fiscale doeleinden althans - nog wel degelijk waarde hebben.

Bij parkeerbelastingen kunnen de emoties hoog oplopen, ook als het niet om groot geld gaat. Zo ook in een zaak waarbij iemand een naheffingsaanslag parkeerbelasting kreeg opgelegd. Tegen deze belastingaanslag werd bezwaar gemaakt, en dat bezwaar werd toegekend. De aanslag ging van tafel en er werd ook nog een proceskostenvergoeding toegekend van € 246. Een veelvoud van het bedrag van de belastingaanslag overigens. Probleem was dat voor die kostenvergoeding men de tabel van vorig jaar had gebruikt: de vergoeding bedroeg inmiddels geen € 246 meer maar drie euro meer: € 249 dus. Belanghebbende liet het er niet bij zitten en stapte naar de rechter. Voor drie euro! De rechter kon niet anders dan mevrouw haar drie euro toekennen, maar kon niet nalaten op te merken hoe hij over de gang van zaken dacht. Een telefoontje of briefje had meer voor de hand gelegen dan een procedure, zo vond hij.

Uiteraard had belanghebbende in deze zaak weer recht op een vergoeding voor de door haar gemaakte proceskosten. De rechter kwalificeerde het belang van de zaak als ‘zeer licht’ en kwam zodoende uit op een vergoeding van € 125,25. Of tegen die beslissing weer beroep is ingesteld, is niet bekend …

De jacht op zwart (spaar)geld is in volle gang. Dat vormt voor veel bang gemaakte belastingplichtigen (of zou sprake zijn van echte spijt en daadwerkelijk berouw?) reden om in te keren en het zwarte geld aan de fiscus op te biechten. Die inkeerregels zijn de laatste jaren echter aangescherpt. Inkeer kan niet altijd meer straffeloos plaatsvinden. Dat ondervond een belastingplichtige die na 2 juli 2009 inkeerde over jaren waarin zij toen nog straffeloos had kunnen inkeren. Welk boeteregime was nu van toepassing: het milde regime dat in de periode van zwartsparen van toepassing was of het aangescherpte regime dat ten tijde van de inkeer bestond? Wie welk standpunt verdedigde mag duidelijk zijn, en bij de rechtbank kreeg belastingplichtige nog gelijk. Maar de Hoge Raad was het daar niet mee eens. Het aangescherpte inkeerbeleid was volgens de Hoge Raad niet onvoorzienbaar en bovendien was er sprake van een adequaat overgangsrecht.

De Hoge Raad heeft de zaak naar een ander gerechtshof verwezen voor verdere afhandeling.

De Staatssecretaris van Financiën heeft weer de Halfjaarsrapportage (de 22e al weer) van de Belastingdienst gepubliceerd. De eerste zes maanden van 2018 stonden in het teken van de nieuwe veranderaanpak van de Belastingdienst. Kort gezegd wil men ‘gefaseerd en beheerst voortgang’ boeken op een overzichtelijk aantal projecten. Kortom: men gelooft niet meer in heel grote projecten want die zijn te vaak op niets (of erger!) uitgelopen. Als canards worden in dit verband genoemd de gang van zaken rond de vertraging in de schenk- en erfbelasting en de verslechterde bereikbaarheid van de Belastingtelefoon. Verder is een punt van zorg dat het percentage binnen de Awb-termijn afgehandelde bezwaarschriften gedaald is van 85% in de eerste helft van 2017 naar 81% in de eerste helft van 2018. De meeste bezwaren hebben betrekking op de inkomstenbelasting.

De staatssecretaris merkt op dat er bij de Belastingdienst ook veel wel goed is gegaan. Een terechte opmerking, waar in de grote krantenkoppen over begane fouten maar zelden aandacht voor bestaat.

Onder grote maatschappelijke en politieke druk is het voornemen om de dividendbelasting af te schaffen van tafel gegaan. Het daarmee bespaarde bedrag biedt ruimte om het ‘pakket vestigingsklimaat’ te heroverwegen. In dat kader zijn door de Staatssecretaris van Financiën de maatregelen voorgesteld:

Met de voorgestelde maatregelen wordt de opbrengst van de dividendbelasting bestemd voor het bedrijfsleven. Voorstellen om met dit geld (bijvoorbeeld) de salarissen in de publieke sector te verhogen zijn niet gevolgd.

Kosten rondom het verkrijgen (of juist niet hoeven betalen) van alimentatie worden niet spiegelbeeldig behandeld. De kosten om een alimentatie-uitkering te verkrijgen zijn aftrekbaar, de kosten om je ex-partner van het lijf te houden weer niet. Dat ondervond een man die in 2011 gescheiden was. Vanaf 2010 had hij alimentatie betaald. Ten onrechte vond hij achteraf en er werden procedures opgestart om de betaalde bedragen terug te krijgen. Belastingplichtige wenste de kosten die hij hiervoor had gemaakt als aftrekpost op te voeren. Hij stelde hierover vragen aan de Belastingdienst, maar die gaf aan dat aftrek niet mogelijk was. Desondanks werden de kosten als aftrekpost opgevoerd. Dat bleek echter onjuist: volgens de inspecteur en de rechter zijn kosten in verband met de terugvordering van betaalde alimentatie niet aftrekbaar. Terugbetaalde alimentatie vormt weliswaar een negatieve persoonsgebonden aftrek, maar de wet biedt geen mogelijkheid om kosten ter verkrijging van een negatieve persoonsgebonden aftrek in mindering te brengen.

Wat het voor meneer extra zuur zal hebben gemaakt is dat hij de procedures tegen zijn ex weliswaar had gewonnen, maar dat deze niet in staat bleek om het toegewezen bedrag terug te betalen. Meneer stond dus – ondanks zijn gelijk – in alle opzichten met lege handen.

Van sommige kosten is de daarop drukkende omzetbelasting niet aftrekbaar als voordruk. Ook niet als de zakelijkheid van die posten niet in geschil is en die kosten bij de winstberekening wel gewoon aftrekbaar zijn. Het gaat daarbij om kosten met een sterk persoonlijk karakter, zoals die van eten en drinken en – zoals in het berechte geval – huisvesting. Een uitzendbureau stelde aan haar (met name buitenlandse) uitzendkrachten woonruimte ter beschikking. Daarbij moet gedacht worden aan hotelkamers, pensions, flats en vakantiehuisjes. De uitzendkrachten betaalden voor deze woonruimte geen vergoeding. Er ontstond een verschil van mening met de fiscus over de vraag of de voorbelasting die in rekening werd gebracht met betrekking tot het ter beschikking stellen van woonruimte aftrekbaar was. In het bijzonder was in geschil of het BUA (Besluit Uitsluiting Aftrek) van toepassing was. Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat dit het geval was. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor de ondernemer gedwongen was de huisvesting van de werknemers voor haar rekening te nemen. De ondernemer kon dit althans niet bewijzen.

Iets dus om rekening mee te houden als u woonruimte voor uw werknemers regelt.